Leerlandschappen

Met de ontstane nadruk op informeel leren en het inzicht dat leren meer is dan opleiden, ontstaat de wens om zicht te krijgen op hoe het staat met dat leren in een organisatie. Blijft het organiseren van leren en ontwikkelen hangen op een goed opleidingenaanbod, dan weten we inmiddels dat we behoorlijk wat mislopen.

Om een organisatie in een bepaalde richting te laten ontwikkelen, moeten we het leren in diezelfde richting vormgeven, en dan is een goed opleidingspakket onvoldoende. Leren behelst méér, veel meer. Welke soort interventies moeten we inzetten om het leren en ontwikkelen optimaal te laten bijdragen aan onze ambitie? Dan helpt het om te weten hoe je organisatie eigenlijk leert.  Het leerlandschap is gericht op dit soort vragen en geeft hierbij houvast.

Het leerlandschap is gebouwd rond ‘leeroriëntaties’. Oriënteren gaat over richting bepalen. Leeroriëntaties zijn typeringen van leerpraktijken; ze geven een indicatie van de richting van het leren, de functie. Zo zijn onderzoeken (we willen iets te weten komen), creëren (we willen iets maken), profileren (we willen iets boven tafel krijgen) en transformeren (we willen radicaal veranderen maar weten nog niet hoe het eruit moet gaan zien) voorbeelden van oriëntaties.

Het leerlandschap kent een aantal verschillende topografische elementen. Elk topografisch element vertegenwoordigt een groep leeroriëntaties die bij elkaar horen:

Eilanden. Dit zijn relatief eenvoudige oriëntaties in het leren. Het gaat dan over vragen als: moet het leren leiden tot ander gedrag in de praktijk, is er een gebrek aan kennis en vaardigheden of zijn er nieuwe hulpmiddelen of producten nodig?

Bruggen en polders verbinden de eilanden:

  • De brug maakt verbindingen tussen eilanden. De oriëntaties zijn minder primair van aard, vertegenwoordigen eerder denkprocessen. Het gaat over vragen als: ‘Weten we eigenlijk wel van elkaar wat we weten? Als we bepaalde kennis hebben, wat willen we daar dan mee? Als we iets nieuws hebben ontwikkeld, hoe zorgen we er dan voor dat iedereen het gaat gebruiken?’
  • Verbinden kan ook via polders. Inpolderen is geen eenvoudig proces, maar je hebt er blijvend plezier van, want uiteindelijk wordt het een natuurlijk onderdeel van het land. Of vertaald: het gaat hier over geavanceerde vormen van leren en die vragen om heel nieuwe manieren van kijken en handelen. Uiteindelijk blijft het echter dichter in en om het werk. Het gaat hier over oriëntaties die op de rand liggen van leren en werk. Het gaat dan bijvoorbeeld niet meer over ‘dat willen we weten’, maar ‘als we onderzoeken in ons eigen werk hoe we invulling geven aan leiderschap en daar met elkaar kritisch naar kijken, dan kunnen we waarschijnlijk veel van wat we nodig hebben al bij elkaar weg halen’.

Zee. De eilanden, bruggen en polders worden omgeven door de zee. In leertermen gaat het over ruimte om te leren, het niet-weten. Totaal in het niet-weten stappen om van daaruit te leren, noemen we transformatie. Transformatie is vloeibaar, onvoorspelbaar, bijna ongrijpbaar. Het is heel abstract, maar omvat tegelijkertijd ook het oefenen en experimenteren met stukjes nieuw gedrag. Het is toestaan dat alles in beweging is en onderzoeken welke plek je inneemt en wilt innemen. Het is actief iets nieuws bouwen, maar ook gewoon ruimte maken om het te laten ontstaan. Transformatie omvat praktiseren, onderzoeken en creëren in een continu afwisselend proces, nauwelijks van elkaar te scheiden.

Wij gebruiken het leerlandschap onder meer om te duiden hoe het leren in een organisatie of een opgave (zoals een programma) is vormgegeven en hoe zich dat verhoudt tot de ambitie, bijvoorbeeld op het gebied van organisatieontwikkeling. We zetten het ook in om leerinterventies in samenhang te ontwerpen en om het leren gerichter en steviger in te richten. Vaak maakt het werken met het leerlandschap duidelijk waarom het leren bijvoorbeeld niet goed op gang komt en de praktijk niet bereikt. Het laat dan ook aangrijpingspunten zien.

Meer informatie: